1* duiker

Brevetverantwoordelijken

Walter Goossens

Assistent-Instructeur

Tom Van Herp

Assistent-Instructeur

Definitie

Een duiker die bekwaam is om veilig en correct gebruik te maken van zijn duikuitrusting in een beschermde trainingsomgeving en die klaar is om open water ervaring op te doen, begeleid door een ervaren duiker. Hij moet kunnen functioneren volgens het buddy‐systeem van de CMAS.

Voorwaarden

  • Minimaal 14 jaar oud zijn bij aanvang opleiding.
  • Minderjarige duikers dienen bij hun eerste aansluiting eenmalig een verklaring te laten ondertekenen door hun ouders/voogd. Dit formulier is downloadbaar van de NELOS‐website.

Zwembadproeven

  • 100 m zwemmen, gevolgd door 10 minuten watertrappelen of drijven.
  • 100 m zwemmen met ABC‐uitrusting.
  • 1 maal masker ledigen.
  • 10 m in apneu.
  • 20 seconden stilstaande apneu.
  • Fles monteren en demonteren, inclusief controle buddy.
  • Gecombineerde proef.
  • 50 m onder water zwemmen op ademautomaat.
  • Proef met trimvest en 2e ademautomaat.
  • Equiperen en rechtopstaand dalen.

Theorie

De instructeur vergewist zich van het feit dat de onderwezen materie begrepen werd door de kandidaat.

Open water

  • Twee doopduiken op maximum 15 m diepte.
  • Drie opleidingsduiken op maximum 15 m diepte.
  • Duiken in open water mogen pas worden uitgevoerd na voltooien van de onderdelen ‘theorie’ en ‘zwembad’.
  • Deze duiken mogen uitgevoerd worden in een zwembad van minstens 15 m diepte.
  • De kandidaat controleert steeds zijn eigen materiaal en het materiaal van zijn mededuiker.
  • De kandidaat demonstreert in de loop van de eerste 5 duiken de vaardigheden op vaste bodem in zone(2).

Examen

  • Geen ‘echt’ examen.
    • Wel: systeem van permanente evaluatie.
  • Kaartensysteem:
    • proef paraferen: ‘in opleiding’ (AI of hoger);
    • proef aftekenen: ‘geslaagd’ (AI of hoger);
    • kaart aftekenen voor homologatie (1*I of hoger);
    • homologatie volgt na minimum 5 duiken en maximum 10 duiken.

Beperkingen

Diepte

  • Eerste 5 duiken: maximum 15 m.
  • Daarna: maximum 20 m.

Duikgroep

  • Doopduiken (eerste 2 duiken) onder leiding van minstens 1*I.
  • Opleidingsduiken (vanaf duik 3) onder leiding van ten minste AI.
  • Na minstens 15 duiken onder leiding van ten minste 3*D (maximum één 1*D in de groep).

Doopduiken en Opleidingsduiken 1*D

Doopduiken: eerste en tweede duik

De instructeur, met zijn ervaring, mag niet vergeten dat hij tegenover een beginneling staat die alles nog moet leren en waarschijnlijk met angst het ogenblik van ondergaan tegemoet ziet. De briefing zal duidelijk en volledig zijn, maar ook geruststellend. Eens te water dient de instructeur op het volgende te letten:

  • de uitloding op 3 m;
  • het zuignapeffect van het masker;
  • het op tijd klaren van de oren;
  • het uitademen bij het stijgen;
  • het uittrimmen indien nodig.

Een doopduik gebeurt liefst met twee: instructeur en beginneling. De instructeur beperkt het aantal deelnemers aan de doopduik zodat hij of een begeleider in staat is fysiek en visueel contact te maken met de kandidaat op elk ogenblik tijdens de duik. De voorziene maximum diepte van 15 m hoeft niet noodzakelijk bereikt te worden. De duik is al gelukt als de kandidaat, onder invloed van de duikleider, blijk geeft van kalmte en zelfvertrouwen.

Opleidingsduiken: de volgende duiken in functie van behalen van het brevet

Tijdens deze duiken houdt de instructeur / AI toezicht over:

  • Het aan‐ en uitdoen van het materiaal en het correct onderhouden van het materiaal na de duik.
  •  Controle van het eigen materiaal en van het materiaal van de buddy.
  • Het te water gaan en uit het water komen.
  • De juiste uitloding, d.w.z. de kandidaat is gewichtloos op 3 à 5 m op het einde van de duik (trimvest leeg).
  • Het gebruik van masker, zwemvinnen en controle‐instrumenten.
  • De kandidaat is bekwaam zijn ademhalingsritme onder controle te houden (onder normale duikomstandigheden).
  • Het gebruik van de duiktekens wordt op voorhand besproken en geoefend tijdens de duik.
  • Het inloggen van de duik.

Demonstratie en controle vaardigheden

Communicatie tijdens de doopduiken en de opleidingsduiken

  • Voor de duik overloopt de instructeur de duiktekens grondig met de kandidaat.
  • Tijdens de duik communiceert de instructeur intensief met de kandidaat.
  • Bij beperkt zicht horen alle tekens uitgevoerd te worden in de onmiddellijke nabijheid van het gelaat.
  • Geregeld hand‐ of armcontact kan de kandidaat gerust stellen.
  • Bij koude zal de I/AI er voor zorgen de duiktijd te beperken. Het duikteken voor koude wordt herhaald.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *